/>

Een belangrijk voordeel van mede-eigendom is dat wanneer de vennootschap ooit het onroerend zou willen uitkeren aan de bedrijfsleider (bijvoorbeeld via verkoop of dividenduitkering in natura) slechts het verdeelrecht van 2,5% (Vlaanderen) of 1% (Wallonië, Brussel) zou te betalen zijn op het deel dat wordt toebedeeld aan de mede-eigenaar/vennoot. Terwijl normaal het verkooprecht (10% VL/12,5% Br/Wl) verschuldigd is.  Op die manier zou natuurlijk 7,5%-11,5% kunnen bespaard worden aan registratiebelasting.

Maar in principe zal een vennoot die een onroerend goed verkrijgt van zijn vennootschap sowieso het verkooprecht verschuldigd zijn, en helaas ook in de situatie van mede-eigendom[1]. Deze assimilatie met mede-eigendom wordt sinds 2015 door de federale en Vlaamse fiscus gehandhaafd, net als het Hof van Beroep van Gent met een arrest in 2018. Tegen dit laatste arrest werd recentelijk cassatieberoep ingediend. Om hierover te kunnen oordelen heeft het Hof van Cassatie op zijn beurt twee prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

In eerste instantie wordt het gelijkheidsbeginsel (artikel 10,11 Grondwet) getoetst. Indien een externe natuurlijke persoon een onroerend goed samen met een vennootschap in mede-eigendom bezit, zal deze bij een latere toebedeling van het goed slechts verdeelrecht verschuldigd zijn. Indien deze natuurlijke persoon-mede-eigenaar echter een vennoot was, is het verkooprecht verschuldigd. Is hier sprake van een gelijke situatie met een ongelijke behandeling?

In tweede instantie werd de vraag gesteld of er geen discriminatie is doordat de vennoot/mede-eigenaar in casu, toen hij het onroerend goed samen met zijn vennootschap aankocht reeds het verkooprecht betaald heeft. Terwijl volgens de eiser de heffing van verkooprecht op moment van verdeling/toebedeling vooral bestemd was voor constructies van vennootschappen met onroerend goed waarbij geen verkooprecht is betaald op moment van aankoop van het onroerend goed (via inbreng van het onroerend goed bvb). Zo zouden deze constructies geen verkooprecht kunnen ontwijken. Is het aldus niet discriminerend om een situatie waarbij de vennoot/mede-eigenaar reeds verkooprecht heeft betaald bij de verwerving van het onroerend goed gelijk te behandelen als de situatie waarbij er op geen enkel moment verkooprecht werd betaald?

Het Grondwettelijk Hof is nu aan zet, maar op vandaag wordt u dus in principe onderworpen aan het verkooprecht en niet het lagere verdeelrecht als mede-eigenaar-vennoot.

Simon Boon – Jurist Pareto

[1] Er zijn weliswaar uitzonderingen, zoals bij personenvennootschappen. Bij een BV bijvoorbeeld is een uitkering van onroerend goed mogelijk aan het algemeen vast recht, op voorwaarde dat (i) alle vennoten (ii) in verhouding tot hun aandelenbezit eigenaar worden (iii) zonder hiervoor een vergoeding te betalen.

 

 

Verkooprecht bij verlenging van vruchtgebruik?

Bij een gesplitste aankoop van een onroerend goed, waarbij de vennootschap het vruchtgebruik verwerft en de bedrijfsleider de blote eigendom, kan het wenselijk zijn de termijn van het vruchtgebruik te verlengen. Na het verstrijken van de duurtijd van het vruchtgebruik komt het onroerend goed namelijk toe aan de blote eigenaar. Welke fiscale gevolgen brengt deze verlenging met zich mee?

Grondwettelijk Hof doet uitspraak over toepassing van verkooprecht bij toekenning vastgoed in mede-eigendom aan de vennoot-bedrijfsleider

In 2021 publiceerde Pareto een artikel over de aankoop in mede-eigendom tussen bedrijfsleider en diens vennootschap. We kaderden hierbij het probleem of hetzij verdeelrecht[1] hetzij verkooprecht[2] (Visie Vlaamse en Federale fiscus) van toepassing is wanneer het onnroerend goed wordt uitgekeerd (via verkoop bijvoorbeeld) aan de bedrijfsleider-vennoot. Het Grondwettelijk Hof velde in januari 2022 een verdict in deze kwestie n.a.v. een prejudiciële vraag.

Het verband tussen de begunstigingsclausule van een levensverzekeringspolis en het testament

Nemen wij het voorbeeld van een verzekeringnemer die aanvankelijk zijn zus aanwijst als begunstigde van zijn levensverzekeringspolis. Vervolgens maakt hij een testament op waarin hij zijn partner als algemene legataris aanstelt zonder de begunstigingsclausule van de levensverzekeringspolis te wijzigen. De vraag rijst dan wie de verzekeringsuitkering zal ontvangen.