fbpx
/>

In België is een vennootschap onderworpen aan de vennootschapsbelasting indien :

  • zij een vennootschap is zoals wettelijk bepaald, zowel naar Belgisch als naar buitenlands recht;
  • zij activiteiten met winstoogmerk uitoefent, zowel in België als in het buitenland ;
  • de maatschappelijke zetel van de vennootschap in België is gevestigd ;
  • zij is geen van de vennootschapsbelasting uitgesloten (rechts)persoon ;
  • zij is niet uitdrukkelijk onderworpen aan de vennootschapsbelasting.

Andere soorten vennootschappen dan die welke aan deze voorwaarden voldoen – het meest voor de hand liggende voorbeeld zijn de verenigingen zonder winstoogmerk – zijn dus als zodanig niet onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Niettemin kunnen ondernemingen die niet voldoen aan de voorwaarden om als vennootschap te worden belast, wel voldoen aan de voorwaarden om aan de rechtspersoonbelasting te worden belast.

De belastinggrondslag voor de vennootschapsbelasting is het totale bedrag van de jaarlijkse winst van de betrokken onderneming. Deze “belastbare winst” komt doorgaans overeen met de zogenaamde ” boekhoudkundig resultaat” van de vennootschap, die dus in de jaarrekening van een vennootschap is terug te vinden. Bepaalde belastingregels corrigeren deze boekhoudkundig resultaat echter soms om de hier gedefinieerde belastbare winst vast te stellen.

Er zij op gewezen dat de belastbare winst alle “inkomsten” van de vennootschap omvat en ook het winstbedrag dat de vennootschap heeft besloten voor het betrokken jaar aan haar aandeelhouders toe te wijzen, in haar belastinggrondslag opneemt.

Om vennootschapsbelastingplichtig te zijn, moet elke onderneming jaarlijks – en na het afsluiten van haar jaarrekening – een aangifte vennootschapsbelasting indienen, aan de hand waarvan de belastingdienst de belastbare winst kan beoordelen, met name met betrekking tot belastingregels die de boekhoudkundige winst kunnen “opblazen” of met bepaalde bedragen kunnen verminderen.

Indien een vennootschap echter bezig is met een ontbinding, fusie of splitsing, of bezig is met een verkorting of verlenging van haar boekjaar, kan zij bij wijze van uitzondering afzien van de indiening van een aangifte vennootschapsbelasting (of in sommige gevallen meerdere aangiften indienen).

De verschuldigde belasting bedraagt 25 % op de belastbare winst. Bepaalde ondernemingen die worden beschouwd als ” kleine of middelgrote ondernemingen” (KMO’s) in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen kunnen echter in aanmerking komen voor een verlaagd tarief van de vennootschapsbelasting. Dit verlaagde tarief bedraagt dus 20 % en kan enkel worden toegepast op de eerste belastbare winstschijf tussen 0 en 100.000 euro.

Deze belasting van 20 % is dus niet van toepassing op:

  1. Vennootschappen die aandelen of deelbewijzen bezitten waarvan de investeringswaarde meer bedraagt dan 50 % van hetzij de geherwaardeerde waarde van het gestorte kapitaal, hetzij het gestorte kapitaal vermeerderd met de belaste reserves en geboekte meerwaarden. De waarde van de aandelen of deelnemingsrechten en het bedrag van het gestorte kapitaal, de reserves en de meerwaarden moeten in aanmerking worden genomen op de datum van afsluiting van de jaarrekening van de vennootschap die de aandelen of deelnemingsrechten houdt. Om te bepalen of de grens van 50 % is overschreden, wordt geen rekening gehouden met aandelen die ten minste 75 % vertegenwoordigen van het gestorte kapitaal van de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven ;
  2. Vennootschappen waarvan ten minste de helft van de aandelen die het kapitaal vertegenwoordigen, in handen is van een of meer andere vennootschappen ;
  3. De vennootschappen die aan ten minste één bestuurder van een vennootschap geen bezoldiging ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk toekennen die ten minste gelijk is aan 45.000 euro van het vijfde belastbaar tijdperk sinds hun oprichting. Indien de vergoeding lager is dan 45.000 euro, moet deze vergoeding ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk ten minste gelijk zijn aan de belastbare inkomsten van de vennootschap ;
  4. Beleggingsvennootschappen (instellingen voor collectieve belegging, instellingen voor belegging in schuldvorderingen, gereglementeerde vastgoedvennootschappen enz.)